BROEIKASEFFECT

 

WAT IS HET BROEIKASFFECT?

 

Voor een goed begrip van het broeikaseffect moeten we beginnen met de vraag: hoe komen we aan de huidige temperaturen op aarde?

De warmte op aarde komt van de zon. Die warmte wordt voor een deel opgenomen door de aarde zelf, maar voor een belangrijk deel ook teruggekaatst, de ruimte in. De opgenomen warmte wordt door de aarde opnieuw uitgestraald als infraroodstraling. De broeikasgassen (waterdamp, koolstofdioxide, methaan, lachgas...) slorpen de uitgestraalde infraroodstraling op en stoten deze opnieuw als warmte uit. Op die manier zorgen ze ervoor dat een belangrijk deel van de warmte afkomstig van de zon toch binnen de atmosfeer blijft.

Het werkt dus in zekere zin zoals in een serre: de warmte van de zon kan binnen, en de gassen zorgen ervoor dat de opgeslagen warmte binnen blijft. Vandaar de naam: broeikasgassen. Als we al die warmte zouden verliezen, dan zou de gemiddelde temperatuur op aarde achttien graden onder nul zijn. Maar dat is niet zo: ze is zo'n vijftien graden boven nul.

Samen maken de broeikasgassen nog niet één procent van de aardse atmosfeer uit, maar toch kunnen kleine fluctuaties in de hoeveelheid broeikasgassen grote gevolgen hebben. Anderzijds is het ook zo dat je de broeikasgassen niet zomaar uit kan bannen, want daardoor zou de temperatuur op aarde precies gaan dalen. Teveel is even slecht als te weinig, of met andere woorden: als er aan de hoeveelheden van die gassen gemorreld wordt, mag je problemen verwachten. Nu staat één ding als een paal boven water: de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer neemt toe. Dat is wetenschappelijk vastgesteld (zie tabel 1 voor de cijfers).

Tabel 1: Evolutie broeikasgassen tussen 1750 en 1990

Koolstofdioxide (CO2) +28.5%
Methaan (CH4) +145.0%
Distikstofoxide of lachgas (N2O) +12.7%

inds het einde van de 19de eeuw is ook de gemiddelde temperatuur op aarde met 0,3 tot 0,6'C gestegen. Het vermoeden was dan ook groot dat het broeikaseffect en de temperatuurstijging met elkaar verband houden. Tot voor een paar jaar was echter niet met zekerheid uit te maken of de opwarming van de aarde door de mens veroorzaakt werd. Het kon namelijk ook om een puur klimatologisch fenomeen gaan: een soort natuurlijke evolutie op langere termijn. Maar recent onderzoek laat toe om met vrijwel 100% zekerheid te stellen dat het de menselijke ingrepen zijn die het wereldklimaat veranderen. Door de uitstoot van broeikasgassen draagt de mens actief bij tot de opwarming van de aarde.

Dat leidt tot een paar vaststellingen:

De eerste en meest evidente vaststelling is: als we een verdere opwarming willen vermijden, dan moeten we ervoor zorgen dat de hoeveelheden broeikasgassen niet nog verder stijgen.

Tweede vaststelling: er zitten nu al teveel broeikasgassen in de atmosfeer, dus het handhaven van de status quo is niet voldoende: er moet een vermindering gerealiseerd worden. Maar dat is minder evident dan het lijkt, aangezien de meeste broeikasgassen een lang leven beschoren zijn.

Tabel 2: Geschatte levensduur broeikasgassen

Koolstofdioxide (CO2) 50 tot 200 jaar
Methaan (CH4) ± 15 jaar
Distikstofoxide of lachgas (N2O) ± 120 jaar
Ozon (O3) enkele weken tot maanden
CFK's 50 (CFK 11) tot 500 jaar (CFK 115)
HCFK's 1,7 (HCFK 123) tot 22 jaar (HCFK 142b)
Halonen 12 (Halon 1211) tot 110 jaar (Halon 1301)

Voor meer informatie omtrent deze drie laatste verwijzen we naar hier.

Het is dus best mogelijk dat wij nu nog altijd de koolstofdioxide inademen die geproduceerd werd toen de soldaten van Napoleon op weg naar Rusland een vuurtje stookten.
Of: in het jaar 2190 zit de koolstofdioxide die vandaag uit de schoorsteen van uw centrale verwarming komt nog steeds in de lucht.

Derde vaststelling: als we de hoeveelheden aan broeikasgassen in de atmosfeer willen verminderen, moeten we eerst uitzoeken waar die gassen geproduceerd worden, door wie en op welke manier. Daarna volgt de vraag hoe we die productie kunnen vermijden, of op zijn minst verminderen.

 

WAT ZIJN DE GEVOLGEN VAN HET BROEIKASFFECT?

 

Zoals we hiervoor al zagen, is het broeikasmechanisme een absolute noodzaak voor de overleving van de aarde. Een probleem is het pas geworden doordat er een teveel aan broeikasgassen is ontstaan. De laatste honderd jaar heeft dat namelijk twee belangrijke fenomenen veroorzaakt: de gemiddelde aardtemperatuur is met 0,3 tot 0,6°C gestegen. En in dezelfde periode is de zeespiegel met 10 tot 25 cm gestegen. Het tweede fenomeen is een gevolg van het eerste: door de opwarming zet het water in de oceanen uit waardoor het meer plaats inneemt; bovendien smelt het ijs van gletsjers en het landijs aan de polen.

Die stijgingen van temperatuur en zeespiegel lijken misschien niet zo dramatisch, maar laten we kijken wat de toekomst in petto heeft als we onverstoord verder gaan.

 

DE GEVOLGEN OP KORTE EN MIDDELLANGE TERMIJN IN BELGIË (2000-2020)

 

De gevolgen op korte en middellange termijn in België (2000-2020)
Een goede graadmeter voor de ernst van het probleem is de uitstoot van koolstofdioxide (CO
2): dat gas nam in België in 1994 immers ca. 82 % van de uitstoot voor zijn rekening. Tussen 1990 en 1994 nam de uitstoot van CO2 met ca. 6,3 % toe. Zonder maatregelen zou de uitstoot van CO2 blijven stijgen, zoals wordt aangegeven in tabel 3:

Tabel 3: Evolutie koolstofdioxide-emissies in België,
 zonder maatregelen

1990 100%
2000 112%
2005 (*) 119%
2010 123%
2015 (*) 128%
2020 (*) 133%

* deze getallen hebben alleen betrekking op de CO2-uitstoot door energiegebruik (transport inbegrepen)

 

DE GEVOLGEN OP LANGE TERMIJN IN DE WERELD (2100)

 

Het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) - een door de Verenigde Naties georganiseerd wereldwijd forum van zo'n 2 500 wetenschappers en deskundigen - heeft de cijfers voor alle broeikasgassen berekend en een projectie gemaakt voor het jaar 2100. Daarbij hebben ze zes verschillende scenario's uitgewerkt. In deze scenario's wordt telkens uitgegaan van andere veronderstellingen over hoe de wereldbevolking zal aangroeien, hoe de economie zich verder ontwikkelt, hoe de technologie evolueert e.d.

In de tabel hieronder worden de gunstigste en minst gunstige voorspellingen van het IPCC getoond:

Tabel 4: Evolutie uitstoot broeikasgassen op internationaal vlak

Gas Huidige uitstoot
(1990)
Meest gunstige scenario
(in 2100)
Minst gunstige scenario
(in 2100)
Koolstofdioxide (CO2) 27,1 Gt (*) 16,9 Gt 131,3 Gt
Methaan (CH4) 0,506 Gt 0,546 Gt 1,168 Gt
Lachgas (N2O) 0,040 Gt 0,043 Gt 0,059 Gt

*Gt: gigaton = duizend miljoen ton = miljard ton = duizend miljard kilo.

Opmerking: bij de voorspellingen voor CO
2 gaat het alleen om emissies van menselijke oorspring, voor CH4 en N2O gaat het om natuurlijke emissies en emissies van menselijke oorsprong samen. In 1990 bedroegen de natuurlijke emissies 0,340 Gt CH4 en 0,015 Gt N2O

Zelfs in het meest gunstige scenario, zal er in het jaar 2100 een effect zijn op de temperatuur en op het niveau van de zeespiegel, zoals uit volgende tabel blijkt:

Tabel 5: Evolutie van temperatuur en zeespiegel 1990-2100

jaar 2100 Temperatuur Zeespiegel
Gunstigste projectie voor het jaar 2100 + 1,0 °C +15cm
Minst gunstige projectie voor 2100 + 3,5 °C +95cm
Beste schatting + 2,0 °C +50cm

De aarde zal dus in honderd jaar tijd meer opwarmen dan ze in de laatste 10 000 jaar gedaan heeft. Wat de zeespiegel betreft is er nog een bijkomend probleem: oceanen warmen traag op. Na het jaar 2100 zal de opwarming waarschijnlijk nog een tijd blijven aanhouden, waardoor het effect veel langer dan 2100 zal doorwerken. De verwachting is dan ook dat de zeespiegel uiteindelijk meer dan die 50 cm zal stijgen.

 

DE GEVOLGEN VAN KLIMAATVERANDERING

 

Op zich is het gegeven vrij abstract: een 'gemiddelde' stijging van de temperatuur met 2°C, stijging van de zeespiegel met 50 cm, maar wat betekent dat in de praktijk? Wat zijn de gevolgen voor ons dagelijks leven?

 

DE GEVOLGEN VAN DE STIJGING VAN DE ZEESPIEGEL

 

Het is niet te voorspellen waar het effect van de stijging van de zeespiegel het meest voelbaar zal zijn, daarvoor zijn er teveel onbekende elementen. Maar algemeen gesproken is er een grote kans dat laaggelegen eilanden zoals de Malediven of atollen in de Stille Oceaan van de kaart verdwijnen. Elders lopen havens, culturele en historische plaatsen aan de zee en toeristische stranden groot gevaar. Ook is het duidelijk dat naarmate de zeespiegel stijgt, de infrastructuur zoals dijken, stormkeringen, etc. aangepast zal moeten worden.

Moerassen en estuaria spelen vaak een belangrijke rol bij het voorkomen van overstromingen. Daarnaast zijn ze vaak gekenmerkt door een rijke fauna en flora. Maar als zij door de stijging van de zeespiegel permanent overstroomd blijven, kunnen zij die draineringfunctie niet langer uitoefenen en zou de hele biotoop verloren gaan.

In rivierdelta's wordt voor vele landen ook het onontbeerlijke voedsel geproduceerd, en die lopen het risico te verdwijnen. Tot de meest kwetsbare behoren de Amazone, de Ganges, de Indus, de Mekong, de Mississippi, de Niger, de Nijl, de Po en de Yangtze.

Tenslotte zullen overstromingen, stormen en tropische cyclonen heviger zijn en dus meer schade veroorzaken dan nu.

 

DE GEVOLGEN VOOR DE LANDBOUW

 

Het lijdt geen twijfel dat klimaatverandering een effect zal hebben op de landbouw. De stijging van de zeespiegel heeft al één direct gevolg: laaggelegen gebieden aan de zee zullen overstromen en voor de landbouw niet meer bruikbaar zijn.

Bovendien zal door de stijging van de zeespiegel het grondwater in de kustgebieden zouter worden. Dus behalve het gevaar voor overstroming, heeft de landbouw in deze gebieden ook schade aan de gewassen te duchten, door een teveel aan zout.

Daarnaast wordt verwacht dat er zich vaker extreme weersomstandigheden zullen voordoen, met zware stormen of zeer droge en hete periodes. Verder zullen de huidige klimaatzones naar de polen verschuiven: voor het gematigd klimaat mag een verschuiving worden verwacht van 200 tot 300 kilometer voor elke graad Celsius meer. Dat geeft problemen voor het telen van bepaalde gewassen: 200 kilometer verderop is de grond immers niet noodzakelijk even geschikt. Het terrein kan te onherbergzaam zijn, met als gevolg dat dezelfde gewassen daar niet verbouwd kunnen worden. Door de opwarming zal bovendien de grondvochtigheid dalen; en dat heeft weer een negatieve weerslag op het kiemen van de gewassen.

Opwarming betekent ook dat er zich in de zomer meer periodes van droogte voor zullen doen. Om een idee te krijgen van wat dat kan betekenen, kunnen we de droogteperiode van 1988 in de Verenigde Staten als voorbeeld nemen. Toen daalde de opbrengst van de gewassen met maar liefst 40%.

 

DE GEVOLGEN VOOR DE NATUUR

 

Zoals in het vorige puntje reeds werd beschreven, zal het broeikaseffect een verschuiving van de klimaatzones naar de polen toe veroorzaken.

Ook al zal deze verschuiving niet overal leiden tot spectaculaire wijzigingen als verwoestijning of overstroming, toch zal de invloed op natuurlijke systemen waarschijnlijk aanzienlijk zijn.

Veel bestaande natuurlijke ecosystemen zullen zich immers niet snel genoeg kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden en dus grondig verstoord worden of misschien zelfs verdwijnen. De kans is reëel dat de natuurlijke omgeving (de habitat) van veel planten- en diersoorten zich sneller zal verplaatsen dan zij dat zelf kunnen, zodat hun overlevingskansen ernstig worden bedreigd. De kansen zijn dan ook groot dat klimaatverandering zal leiden tot een verlaging van de biodiversiteit.

 

DE IMPACT OP DE DRINKWATERVOORRAAD

 

Ook zonder dat er iets aan de hand is met het klimaat, zitten we in de komende decennia met een steeds groeiend drinkwaterprobleem. Niet alleen neemt de wereldbevolking toe, maar ze verbruikt ook steeds meer zoet water per persoon. Komt daarbij dat het drinkwater steeds meer vervuild raakt met industrieel afval en meststoffen. Dat alles leidt ertoe dat er steeds minder drinkbaar water is voor steeds meer mensen. Dat op zich kan al een oorzaak van conflicten zijn, om nog te zwijgen van het feit dat de voorraden drinkbaar water vaak door verschillende landen tegelijk beheerd worden. De opwarming van het klimaat komt daar nog eens bovenop. Warmer betekent meer verdamping van het beschikbare water, dus minder water.

Een ander, bijkomend effect zal vooral in kustgebieden te merken zijn. Doordat het grondwater daalt, zal het peil aangevuld worden met zout zeewater. Daardoor wordt het ongeschikt voor landbouw of voor gebruik in het huishouden. Steden of landbouwgemeenschappen aan de kust zullen dan ook op zoek moeten gaan naar andere bronnen van zoet water, en die zijn zo al schaars.

 

DE SOCIALE IMPACT

 

Vaak bestaat de neiging om het uitsluitend over de meetbare en zichtbare gevolgen van het broeikaseffect te hebben. Maar ook de politieke en sociale gevolgen zullen bijzonder groot zijn.

Ten eerste gaat het om een probleem dat niet opgelost kan worden door één land of één regering. Klimaatswijziging is een mondiaal fenomeen, dat des te complexer is omdat de gevolgen ervan voor elk land verschillend zijn. Bijna zeker is dat bepaalde landen hun voordeel zullen doen bij een klimaatverandering, veel andere zullen er alleen maar bij verliezen. De eerste groep zal veel minder geneigd zijn om iets aan het probleem te doen dan de tweede. En ook onder de verliezers zullen er verschillen bestaan: sommige zullen het geld of de middelen hebben om de impact te minimaliseren of zelfs teniet te doen, andere niet...

Ten tweede is het ook vrijwel zeker dat de klimaatverandering, samen met andere milieuproblemen en het fenomeen van de overbevolking, de armoede en de honger in de wereld zal doen toenemen. Het gevolg daarvan zal een steeds sterkere tendens zijn van hele volkeren om te migreren naar plaatsen waar geen honger en geen armoede is. Ten derde is er het huidige Noord-Zuidconflict, dat verder aangescherpt zal worden. Want nu komt er nog de vraag bij over wie het beschikkingsrecht heeft over hoeveel van het zoet water en van, de landbouwgrond.

Maar ook binnen één maatschappij zal de klimaatverandering voor problemen en voor conflictstof zorgen. Zo zal de gezondheidszorg zich moeten aanpassen aan de veranderde omgevingsfactoren, idem dito voor de landbouwsector. Ook de industrie en de huishoudens zullen anders met water moeten leren omspringen - iets wat niet kan gebeuren zonder verandering van ingesteldheid. De kans op overstromingen wordt groter, evenals de kans op lange periodes van droogte, en daarom zullen er belangrijke infrastructuurwerken moeten worden uitgevoerd. Aan zulke werken hangen stevige prijskaartjes vast. Op een of andere manier zullen we voor al die problemen een oplossing moeten zien te bedenken.

 


BRONNEN: Federale Dienst Leefmilieu-klimaatverandering, www.environment.fgov.be/Root/setorgN.htm.

REACTIES op bovenstaand artikel kan je mailen aan Anne Van Houtte

terug naar boven

 

 

 

© vzw KiloWat?Uur © 2005-2009   -   webmaster


myspace visitor counter