|
Geologen
bezien het 'Systeem Aarde' als een samenhangend geheel van
talloze interactieve- en onderling gekoppelde subsystemen,
waaronder dampkring en klimaat.
Geochemisch en planetair bezien zou de dampkring 200.000 maal
zoveel CO2
moeten bevatten als nu. Ongeveer zoals op Venus. Maar anders dan
op Venus is hier de meeste CO2
aan de dampkring onttrokken door enerzijds de vorming van
carbonaten door mariene organismen en de
chemisch-bacteriologische verwering van gesteenten, en
anderzijds de vorming van biomassa door vegetatie en mariene
micro-organismen. Die 'verdwenen' CO2
is vastgelegd in afzettingen van kalksteen en fossiel, organisch
koolstof. De processen van CO 2 -onttrekking verlopen ruwweg
evenredig met de hoeveelheid CO2
in de dampkring.
Er is
een natuurlijk evenwicht tussen enerzijds de toevoer van CO2
door de ontgassing van de Aarde en de oxidatie van organisch
koolstof, en anderzijds de onttrekking door de biologische- en
chemische 'pompen' en de opname in oceaanwater. Doordat de
evenwichtstoestand niet constant is, varieert met de tijd de
hoeveelheid CO2.
Sinds het begin van de industriële revolutie is het CO2-gehalte
met ruim 25% toegenomen, waarvan driekwart in de tweede helft
van de 20e eeuw. Dit is echter slechts de helft van de
antropogene CO2-emissie
sinds 1850; de andere helft is al weer door natuurlijke
processen aan de dampkring onttrokken.
De
hoofdrolspeler in het klimaatsysteem is de Zon. Wat geologen
daarbij opvalt is dat de gemiddelde temperatuur van de onderste
luchtlagen al bijna 4 miljard jaar binnen het gebied is gebleven
waarin vloeibaar oppervlaktewater kan bestaan, hoewel de Zon in
de tijd zo'n 25% warmer is geworden. Er functioneert dus een
regelsysteem dat de temperatuur binnen nauwe grenzen houdt, de
Aardse thermostaat. Binnen die grenzen fluctueert de temperatuur
over tijdschalen variërend van decennia tot tientallen miljoenen
jaren.
De
zonneactiviteit is variabel, in cycli van 11 jaar, 19 jaar, 88
jaar en langer. Historisch- en geologisch onderzoek laten een
statistisch verband zien tussen zonneactiviteit en temperatuur,
ook al is hiervoor nog geen algemeen geaccepteerde fysische
verklaring te geven. Zo valt bijvoorbeeld de beruchte 'Kleine
IJstijd' van de 17de en 18de eeuw samen met een periode van
opvallend weinig zonnevlekken, wat indicatief is voor verlaagde
zonneactiviteit.
Verder
terug is een correlatie te traceren tussen fluctuaties in
zonneactiviteit en temperatuur, aan de hand van de concentraties
koolstof-14 en beryllium-10 in boomringen en ijskernen. Beide
radio-isotopen worden in de bovenste dampkring geproduceerd door
kosmische straling, maar bij verhoogde zonneactiviteit neemt hun
productie af omdat dan de magnetische velden van de zonnewind in
intensiteit toenemen en meer kosmische straling afschermen. De
laatste 100.000 jaar waren de concentraties van beide isotopen
systematisch hoger tijdens koude perioden, en lager tijdens
warme perioden.
Het
grootste deel van de aardgeschiedenis was het warmer dan in onze
tijd en was er géén, of zeer weinig permanent ijs op de polen
aanwezig. In de laatste 2½ miljard jaar zijn er echter vijf
episoden geweest - elk vele miljoenen jaren omvattend - waarin
uitgestrekte gebieden op de hogere breedtegraden met gletsjerijs
waren overdekt. De vijfde en laatste van deze IJstijden begon
zo'n 3 miljoen jaar geleden en duurt nog steeds voort. In die
tijd waren er 10 lange- en 40 kortere perioden waarin een
substantiële uitbreiding van de ijskappen plaatsvond, de
glacialen, afgewisseld met warmere interglacialen, waarin de
ijskappen zich weer terugtrokken.
De
overgang van een glaciaal naar een interglaciaal e.o., kan zich
binnen enkele decennia voltrekken. De Aarde verkeert thans in
een interglaciaal dat zo'n 10.000 jaar geleden begon, na een
glaciaal van zo'n 105.000 jaar. De afwisseling van glacialen en
interglacialen wordt bepaald door de Milankovitch Cycli van het
Aarde-Zon-systeem. De door deze cycli bepaalde afwisseling van
warmere- en koudere perioden manifesteert zich door de hele
aardgeschiedenis, niet alleen in ijskappen, maar ook
bijvoorbeeld in 100 miljoen jaar oude sedimentaire successies
van de Krijt periode en in 3,5 miljard jaar oude gebrande
ijzerertsen.
Binnen
elke glaciale- en interglaciale periode fluctueert de
temperatuur. Zo ook tijdens het huidige interglaciaal. Aan het
einde van de 19de eeuw, zette zich na een koudere fase weer een
warmer wordende trend in. In de 20ste eeuw laten
temperatuurmetingen van grondstations tót 1940 en ná 1975 een
stijging zien, maar tussen 1940 en 1975 was er een daling.
Men kan
echter vraagtekens zetten bij de 'gemiddelde' mondiale
temperatuur, gezien de enorme plaatselijke verschillen, de
ongelijkmatige verdeling van de meetstations en mogelijk
onvoldoende correcties voor het 'Urban Heat Island Effect'.
Bovendien is er een discrepantie met de resultaten van
satellietmetingen die sinds 1979 worden verricht en géén
significante globale opwarming registreren. Daarentegen zijn er
diverse verschijnselen die wél op opwarming lijken te wijzen,
zoals plaatselijke klimaatveranderingen,
breedtegraadverschuiving van vegetatiezones, terugtrekking van
veel, maar niet alle gletsjers (hoewel de gletsjertongen nooit
stationair zijn en de huidige terugtrekking al in de 18de eeuw
is begonnen), stijging van de zeespiegel en afsmelten van
poolijs (wat echter al 10.000 jaar, sinds het einde van de
laatste glaciatie aan de gang is, zij het met fluctuaties).
Velen
menen dat deze verschijnselen de eerste signalen zijn van een
globale opwarming als gevolg van het broeikaseffect door de
extra hoeveelheid CO2
die door menselijk toedoen in de dampkring komt. Het CO2
-gehalte van de dampkring zou dus een belangrijke factor zijn
bij de temperatuurregulatie van de lagere luchtlagen. Men
baseert zich daarbij op de uitkomst van de veelbesproken en
veelvuldig bekritiseerde klimaatmodellen: mathematische
beschrijvingen van alle bekende factoren die het klimaat
bepalen en hun wisselwerkingen. Er zijn uiteraard géén
deugdelijke verificatie- en falsificatieprocedures om die
modelleringen te toetsen aan wat zich thans in het
klimaatsysteem afspeelt ? bij 'klimaat' gaat het om gemiddelden
over een lange periode, gewoonlijk 30 jaar, zodat pas achteraf
kan worden vastgesteld of klimaatverandering is opgetreden.
Toetsing is alleen mogelijk door te kijken naar het verloop van
de relatie tussen temperatuur en CO2-gehalte
in het historische- en geologische verleden. Voor geologen wegen
de zo verkregen gegevens én het inzicht in actuele geologische
processen zwaarder dan de 'virtual reality' van de
klimaatmodellen.
De
gegevens uit het geologische- en historische verleden wijzen er
niet op dat de hoeveelheid CO2
in de dampkring een belangrijke rol speelt in het
klimaatsysteem. Integendeel. Tijdens de mondiale afkoeling
tussen 1940 en 1975 bijvoorbeeld, ging de stijging van het CO2-gehalte,
die al geruime tijd aan de gang was, ongestoord door. Sommige
meteorologen, waaronder enkele huidige protagonisten van de
broeikasopwarming, waarschuwden toen dat de volgende glaciale
periode er aankwam ? op zich géén onzinnig idee, want de
voorgaande interglacialen duurden telkens tussen 10.000- en
20.000 jaar, dus het volgende glaciaal kan best wel eens op
korte termijn inzetten.
Alle
historische gegevens en data van ijskernen, turfafzettingen,
boomringen en groeiringen van koralen laten zien dat de warmere-
en koudere fasen in de huidige interglaciale periode niet waren
gekoppeld aan significante veranderingen in het CO2gehalte,
zoals bijvoorbeeld tijdens de 'Kleine IJstijd' in de 17de- en
18de eeuw en de daaraan voorafgaande Warme Middeleeuwen ? rond
1200 groeiden er druiven op Groenland. Deze warmere- en koudere
fasen duurden echter hoogstens enkele eeuwen.
IJskernen uit poolgletsjers laten zien dat er voorafgaande aan
het huidige interglaciaal, tijdens warmere- en koudere fasen van
langere duur wél een positieve correlatie was tussen
veranderende temperatuur en veranderend CO2-gehalte.
De stijging of daling van het CO2-gehalte
begint dan echter nadat de stijging of daling van de temperatuur
heeft ingezet, niet omgekeerd. De simpelste verklaring is dat
oceaanwater bij opwarming CO2
afstaat en bij afkoeling opneemt, maar opwarming of afkoeling
van oceanen vereist een warme- of koude periode van langere
duur, tenminste enkele duizenden jaren.
Verder
terug ? in het Midden Krijt ? 100-120 miljoen jaar geleden,
laten sedimenten zien dat de dampkring acht maal zoveel CO2
bevatte als nu. De biologische- en chemische 'pompen' konden de
CO2-uitstoot,
als gevolg van gigantische vulkanische activiteit in die tijd,
niet bijhouden, hoewel de biologische pompen op volle capaciteit
werkten, getuige de enorme kalksteenformaties.
Toch was
het gemiddeld nauwelijks warmer dan nu. Wél was er een geringere
temperatuurgradiënt tussen polen en evenaar ? door de
afwezigheid van hoge bergketens werd het transport van warme
lucht vanaf de evenaar nauwelijks belemmerd, waardoor het op
hogere breedtegraden warmer en in de tropengordel kouder was dan
nu. Nog verder terug - in het Laat-Ordovicium - 440-450 miljoen
jaar geleden, bevatte de dampkring 16 maal zoveel CO2
als in onze tijd. Toch was deze periode één van de vijf episoden
in de aardgeschiedenis met uitgestrekte ijskappen op de hogere
breedtegraden en temperaturen langs de evenaar die overeenkwamen
met de huidige.
Geologen
staan dan ook in het algemeen sceptisch tegenover de gangbare
doemscenario's op grond van de oplopende hoeveelheid CO2
in de dampkring. Maar al is het niet door CO2-emissie,
andere menselijke activiteiten zouden het klimaatsysteem wél
kunnen beïnvloeden. Menselijk handelen verstoort immers op grote
schaal de interactie tussen landoppervlak, dampkring, biosfeer
en oceaanwater ? zoals het kappen van tropische regenwouden;
overbegrazing, bodemerosie en verwoestijning; veranderingen in
landgebruik door landbouw en urbanisatie; warmteproductie in
stedelijke- en industriële agglomeraties; industriële emissie
van aërosolen en andere broeikasgassen dan CO2;
aanleg van stuwmeren en verandering van de waterhuishouding,
zoals de geplande irrigatie van reusachtige gebieden in Centraal
Azië, door de omleiding van de grote rivieren in Siberië die nu
nog in de Noordelijke IJszee uitmonden; enz.
Mochten
deze activiteiten, al dan niet in combinatie met natuurlijke
processen, inderdaad tot opwarming leiden, dan hoeft dat niet
alleen maar nadelig te zijn. Integendeel. Opwarming leidt
bijvoorbeeld tot meer neerslag en water dreigt in deze eeuw
wereldwijd een zeer schaarse grondstof te worden. Daarnaast
weten echter juist geologen maar al te goed dat de voorraden
fossiele grondstoffen niet onuitputtelijk zijn. Men zal dus hoe
dan ook moeten inzetten op efficiënter energieverbruik om de
voorraden langer te doen meegaan ? maar dat is dan op basis van
rationele overwegingen door een positieve strategie van
technologische innovatie, niet gemotiveerd door de
ideologisch/ethische broeikasmantra's van de milieubeweging. |